Enkele van de meest voorkomende procedures:
Hoe aanvatten?
Welke documenten zijn nodig?
Hoeveel kost dit?
Welke vrederechter is bevoegd? Zie Territotiale bevoegdheid.
Op 21 oktober 2002 antwoordde de Minister van Justitie op een parlementaire vraag dat het ter beschikking stellen
van blanco verzoekschriften niet valt onder het verboden consult uit art. 297 Ger.W.
De griffie stelt hier dan ook graag enkele formulieren ter beschikking, maar wijst er uitdrukkelijk op dat
deze slechts als voorbeeld dienen.
Het gebruik ervan geschiedt op eigen verantwoordelijkheid.
Bij neerlegging op de griffie dienen ze de originele handtekening te dragen.
Ieder geschil dat tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort en voor dading vatbaar is, kan op vraag
van een of beide partijen voor bemiddeling aan de vrederechter voorgelegd worden.
De vraag kan mondeling op de griffie, of per brief of per
verzoekschrift gebeuren.
Dit is kostenloos.
De partijen worden per gewone brief uitgenodigd voor een zitting in raadkamer.
De vrederechter zal trachten de partijen tot een minnelijke regeling te brengen, maar is niet bevoegd om
een oordeel uit te spreken, ook niet indien een van de partijen afwezig is.
Van de verschijning wordt een proces-verbaal opgesteld.
Indien een akkoord tot stand komt, vormt het proces-verbaal een uitvoerbare titel.
De uitgifte kost 1,50 € per blz.
Indien een uithuiszetting wordt gevorderd, moet de gerechtsdeurwaarder of de griffier het O.C.M.W. van de
woon- of verblijfplaats van de huurder verwittigen, tenzij de huurder zich binnen de twee dagen daartegen
verzet.
1/ Bij dagvaarding zal de gerechtsdeurwaarder de verweerder(s) dagvaarden om op een
openbare zitting aanwezig te zijn, de eiser(s) verwittigen om eveneens aanwezig te zijn, en de zaak op de rol
doen inschrijven. De kosten van dagvaarding en rolrecht moeten door de eiser(s) aan de gerechtsdeurwaarder
voorgeschoten worden.
2/ Bij inleiding met verzoekschrift moet de eiser zelf zijn vordering formuleren en de
nodige gegevens vermelden, zoals op straffe van nietigheid voorgeschreven (art. 1344bis Ger.W.). Een recent
getuigschrift van woonst van de tegenpartij(en) moet bijgevoegd worden.
Het verzoekschrift moet op de griffie neergelegd worden in zoveel exemplaren als er partijen zijn plus
één voor het dossier. Het wordt op de rol ingeschreven na betaling van 25,00 of 35,00 €
rolrecht.
De partijen worden door de griffier met gerechtsbrieven opgeroepen om op de openbare zitting aanwezig te zijn,
een exemplaar van het
verzoekschrift wordt meegezonden.
3/ Indien de partijen het erover eens zijn om hun geschil aan het oordeel van de
vrederechter te onderwerpen, kunnen zij vrijwillig op een openbare zitting verschijnen. Dagvaardingskosten en
oproepingstermijnen worden zo vermeden, maar het rolrecht van 25,00 of 35,00 € zal door één van hen op de
griffie moeten betaald worden.
Het is aan te raden om zich een half uur voor de zitting op de griffie aan te melden om de zaak op de rol te
doen inschrijven.
Wanneer een der echtgenoten grovelijk zijn plicht verzuimt, of wanneer de
verstandhouding tussen de echtgenoten of de wettelijk samenwonenden ernstig verstoord is, kan de vrederechter dringende voorlopige maatregelen
bevelen betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoten en de kinderen.
Elk
verzoekschrift
moet op de griffie neergelegd worden in drie exemplaren. Op straffe van nietigheid moet een
getuigschrift van woonplaats van de tegenpartij bijgevoegd worden dat niet ouder is dan 15 dagen en dat
afgeleverd wordt door het gemeentebestuur. Het verzoekschrift wordt op de rol ingeschreven na betaling van het
rolrecht dat 35,00 € bedraagt.
De partijen worden door de griffier met gerechtsbrieven opgeroepen om op een zitting in raadkamer aanwezig te
zijn, een exemplaar van het verzoekschrift wordt meegezonden.
Een meerderjarige die, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand niet in staat is om
zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan door de vrederechter een voorlopige bewindvoerder
toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd.
Iedereen kan t.o.v. de vrederechter of een notaris een persoon aanduiden door wie hij zijn goederen wil laten
beheren zodra dat nodig zou zijn. Deze verklaringen worden opgenomen in een centraal register dat door de
Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat wordt beheerd. Dit register moet door de griffier geraadpleegd
worden telkens de benoeming van een voorlopige bewindvoerder gevraagd wordt.
De vraag om een voorlopige bewindvoerder te benoemen geschiedt bij
verzoekschrift, door de beschermde persoon zelf, door elke belanghebbende of door de procureur des Konings.
De vrederechter kan de maatregel ook ambtshalve treffen wanneer de collocatie van de beschermde persoon gevraagd is.
Bij het verzoekschrift moet een omstandige geneeskundige verklaring gevoegd worden die hoogstens 15 dagen oud is en die niet
mag opgesteld worden door een geneesheer die familie is van de beschermde persoon of van de verzoeker, of die verbonden
is aan de instelling waar de beschermde persoon zich bevindt.
Het verzoekschrift en de geneeskundige verklaring moeten de gegevens vermelden die in de wet worden opgesomd.
De bevoegde vrederechter is deze van de verblijfplaats van de beschermde persoon, of bij gebreke daarvan, van diens woonplaats.
De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in en kan iedereen horen die hij geschikt acht om hem in te lichten.
De beschermde persoon en zijn meerderjarige gezinsleden moeten opgeroepen worden om in raadkamer gehoord te worden.
De andere meerderjarige familieleden in de dichtste graad doch niet verder dan de tweede graad, moeten verwittigd worden
en kunnen hun opmerkingen mededelen. Indien de beschermde persoon zich moeilijk kan verplaatsen, zal de vrederechter hem bezoeken.
De procedure is kosteloos, enkel de verplaatsingskosten van de vrederechter en griffier moeten vergoed worden.
De aangestelde voorlopige bewindvoerder moet binnen de maand na de aanvaarding van de opdracht een verslag opstellen over de
vermogenstoestand en de inkomsten van de beschermde persoon. Bovendien moet hij jaarlijks en binnen 30 dagen na het einde van
zijn mandaat een
beheersverslag opstellen. Bij de aanstelling wordt vermeld aan wie deze
verslagen moeten overgezonden worden.
De opdracht van de voorlopige bewindvoerder eindigt wanneer een andere wettelijke vertegenwoordiger wordt aangesteld, bij
overlijden van de beschermde persoon, of wanneer de vrederechter dit ambtshalve of op verzoek beslist.
Van elke beslissing tot aanwijzing, beëindiging of wijziging van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder wordt door
de griffier een uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
De taken en bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder zijn in de wet beschreven. Hij moet de goederen van de beschermde
persoon als een goed huisvader beheren en hem vertegenwoordigen in alle rechtshandelingen en procedures.
Voor sommige handelingen moet de voorlopige bewindvoerder aan de vrederechter een voorafgaandelijke
machtiging vragen, nl.:
-om sommige gerechtelijke procedures te beginnen
-om roerende en/of onroerende te vervreemden
-om leningen aan te gaan en hypotheken toe te staan of te laten doorhalen
-om te berusten in een vordering betreffende onroerende rechten
-om een nalatenschap of legaat te verwerpen of te aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden
-om een schenking of legaat onder bijzondere titel te aanvaarden
-om een pachtovereenkomst of handelshuurovereenkomst te sluiten, een handelshuurovereenkomst te hernieuwen en een huurovereenkomst
van meer dan 9 jaar te sluiten
-om een dading aan te gaan
-om een onroerend goed aan te kopen
-om de handelszaak van de beschermde persoon voort te zetten
-om te beschikken over de rechten i.v.m. de woning en huisraad
-om een huwelijkscontract aan te gaan of het huwelijksvermogens-stelsel te wijzigen.
De beschermde persoon moet zelf aan de vrederechter een machtiging vragen om een schenking onder levenden te doen of een uiterste
wilsbeschikking te maken.
De vrederechter kan een geesteszieke persoon voor observatie in een psychiatrische dienst doen opnemen, op voorwaarde dat
geen andere geschikte behandeling mogelijk is en diens toestand zulks vereist omdat hij zijn gezondheid en veiligheid
ernstig in gevaar brengt of omdat hij andermans leven en integriteit bedreigt.
Het verzoek kan uitgaan van elke belanghebbende, en geschiedt bij
verzoekschrift.
In spoedeisende gevallen kan de procureur des Konings de zieke reeds voor observatie in de instelling doen opnemen en
vervolgens binnen de 24 uren een verzoekschrift bij het vredegerecht indienen;
De procedure is kosteloos.
De vrederechter mag van het verzoekschrift slechts kennis nemen indien een omstandig geneeskundig verslag
is bijgevoegd dat, op basis van een onderzoek dat hoogstens 15 dagen
oud is, de gezondheidstoestand van de betrokkene en de symptomen van zijn ziekte beschrijft en vaststelt dat voormelde voorwaarden
vervuld zijn. De geneesheer mag geen bloed- of aanverwant zijn van de zieke of van de verzoeker en mag op geen enkele wijze
verbonden zijn aan de psychiatrische dienst waar de zieke zich bevindt.
Bij ontvangst van het verzoekschrift zorgt de griffier ervoor dat onmiddellijk een advocaat wordt aangewezen om de zieke bij te
staan. De zieke heeft het recht om een andere advocaat te kiezen, en kan zich bovendien laten bijstaan door een
geneesheer-psychiater en een vertrouwenspersoon.
Binnen 24 uren na ontvangst van het verzoekschrift worden dag en uur bepaald waarop de vrederechter de zieke bezoekt en wordt een
zitting in raadkamer vastgesteld waarop de partijen gehoord worden. In de praktijk zullen het bezoek en de zitting gelijktijdig
plaatsvinden.
De griffier roept de partijen met gerechtsbrieven op en verwittigt de Kansspelcommissie.
Het vonnis van de vrederechter wordt binnen de 10 dagen na de indiening van het verzoekschrift uitgesproken in openbare zitting.
De observatietermijn wordt door de vrederechter bepaald maar mag niet langer duren dan 40 dagen. De observatie kan voortijdig
beëindigd worden door een nieuwe beslissing van de vrederechter of door een gemotiveerde beslissing van de geneesheer-diensthoofd
van de instelling.
Indien de toestand van de zieke zijn verder verblijf in de instelling na het verstrijken van de observatieperiode vereist,
zendt de directeur van de instelling minstens 15 dagen tevoren aan de vrederechter een omstandig verslag van de geneesheer-diensthoofd
dat de noodzaak bevestigt en dient een verzoekschrift in waarbij het verder verblijf wordt gevraagd. Na een nieuwe oproeping,
bezoek aan de zieke en zitting beslist de vrederechter over het verder verblijf waarvan de duur niet meer dan 2 jaar mag bedragen.
Het verblijf kan op dezelfde wijze telkens met maximum 2 jaar verlengd worden.
Gedurende het verder verblijf kan op initiatief van de geneesheer-diensthoofd de zieke in nazorg buiten de instelling worden geplaatst
of naar een andere psychiatrische dienst overgebracht worden, en het verblijf beëindigd worden.
De vrederechter kan zijn beslissing tot verder verblijf ambtshalve of op verzoek van de zieke of enige belanghebbende herzien.
Het verzoek moet gesteund worden door een verklaring van een geneesheer.
In een akte van bekendheid verleent de vrederechter aan twee meerderjarige getuigen akte van hun verklaringen,
die aldus in bepaalde situaties een bewijsmiddel vormen bij gebrek aan enig ander middel.
1/ Bij overlijden worden bankrekeningen e.d. geblokkeerd tot bewezen wordt wie door
erfopvolging recht heeft op de tegoeden.
Sinds 29 mei 2009 is artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek van kracht, waardoor dit bewijs geleverd wordt
met een “attest van erfopvolging”, afgeleverd door de ontvanger van de successierechten, of een
“attest of akte van erfopvolging” opgemaakt door een notaris. In de gevallen waarin de erfenis niet
uitsluitend wordt vererfd conform art. 718 tot 755 B.W., in geval van bestaan van onbekwame erfopvolgers of
indien er een testament, contractuele erfstelling of huwelijkscontract in hoofde van de overledene is, is men
verplicht zich tot een notaris te wenden. In de overige gevallen heeft de belanghebbende de vrije keuze tussen
een notaris of de ontvanger van de successierechten.
Deze wetswijziging beoogt een administratieve vereenvoudiging en beperking van de kosten.
Voordien kon men zich tot de vrederechter van de woonplaats van de
overledene wenden voor een akte van bekendheid. Hoewel de wetswijziging
de akte van bekendheid ongemoeid laat, zullen de financiële instellingen
er vermoedelijk geen genoegen meer mee nemen. (Daarom is het aangewezen voorafgaandelijk de financiële
instelling te raadplegen)
- In de akte van bekendheid bevestigen twee meerderjarige getuigen, die daarbij geen rechtstreeks of onrechtstreeks
belang hebben, dat het algemeen bekend is dat de persoon overleden is en wie de erfgenamen zijn.
Om de griffier toe te laten de akte voor te bereiden, zullen hem voorafgaandelijk alle inlichtingen en stukken moeten
bezorgd worden: trouwboekje(s) van de overledene, huwelijkscontract en eventuele wijzigingen, akte van gift
(na registratie), soms het echtscheidingsvonnis, beroep en adres van de erfgenamen.
De griffier zal dan een datum afspreken waarop de getuigen voor de vrederechter kunnen verschijnen.
Per akte van bekendheid is een opstelrecht van 30,00 € verschuldigd. Het registratiewetboek (art.279/2) somt
de gevallen op waarvoor het recht niet verschuldigd is, zoals onder meer voor: belastingen, pensioenen, arbeidsongevallen,
kinderbijslagen, mutualiteiten, aan controle van de overheid onderworpen spaarkassen.
2/ Personen die wensen te huwen dienen een geboorteakte voor te brengen. Indien dit onmogelijk is
of zware moeilijkheden meebrengt, kan de geboorteakte vervangen worden door een akte van bekendheid, afgeleverd door de
vrederechter van de geboorteplaats of van de woonplaats. Indien geborden in het buitenland, moet eerst getracht worden
een gelijkwaardig document te verkrijgen van de diplomatieke of consulaire overheden van dat land (art.70 B.W).
In de akte van bekendheid bevestigen twee meerderjarige getuigen de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van
betrokkene en die van zijn ouders indien deze gekend zijn, alsook de plaats en datum van zijn geboorte en de redenen die de
voorlegging van de geboorteakte beletten.
Om de griffier toe te laten de akte voor te bereiden, zullen hem voorafgaandelijk alle inlichtingen en stukken moeten bezorgd
worden: identiteitskaart, paspoort, trouwboekje(s) van de ouders, beroepen en adressen. De griffier zal dan een datum
afspreken waarop de getuigen voor de vrederechter kunnen verschijnen.
Er is geen opstelrecht verschuldigd.
De akte van bekendheid moet vervolgens voor homologatie aan de rechtbank van eerste aanleg voorgelegd worden. De rechtbank
oordeelt of de getuigenverklaringen en de aangevoerde redenen voldoende zijn. De vrederechter zendt de akte van bekendheid
naar de rechtbank.
Indien, bv. bij gebrek aan getuigen, geen akte van bekendheid kan bekomen worden, kan die met toestemming van de rechtbank
van eerste aanleg vervangen worden door een beëdigde verklaring van de belanghebbende.
3/ Personen die de Belgische nationaliteit willen verwerven, moeten een geboorteakte voorleggen.
Indien dit onmogelijk is, kan de geboorteakte vervangen worden door een akte van bekendheid (art.5 Wb. Belg.Nat.).
In de akte van bekendheid bevestigen twee meerderjarige getuigen de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van
betrokkene en die van zijn ouders indien deze gekend zijn, alsook de plaats en datum van zijn geboorte en de redenen die
de voorlegging van de geboorteakte beletten.
Om de griffier toe te laten de akte voor te bereiden, zullen hem voorafgaandelijk alle inlichtingen en stukken moeten bezorgd
worden: identiteitskaart, paspoort, trouwboekje(s) van de ouders, beroepen en adressen. De griffier zal dan een datum afspreken
waarop de getuigen voor de vrederechter kunnen verschijnen.
Er is geen opstelrecht verschuldigd voor zover de akte van bekendheid dient voor een procedure inzake nationaliteitsverklaring
(art. 12bis W.B.N.) of nationaliteitskeuze (art. 13 W.B.N.), en de belanghebbende zijn onvermogen bewijst met een getuigschrift
van de burgemeester van zijn verblijfplaats. In de overige gevallen is een opstelrecht van 30,00 € verschuldigd.
De akte van bekendheid moet vervolgens door betrokkenen voor homologatie aan de rechtbank van eerste aanleg voorgelegd worden.
De rechtbank oordeelt of de getuigenverklaringen en de aangevoerde redenen voldoende zijn.
Indien, bv. bij gebrek aan getuigen, geen akte van bekendheid kan bekomen worden, kan die met toestemming van de rechtbank van
eerste aanleg vervangen worden door een beëdigde verklaring van de belanghebbende.
De vrederechter dient de voogdij in te richten over een minderjarige wanneer de enige of de beide
ouders overleden zijn, wettelijk onbekend zijn of door de rechtbank van eerste aanleg in de voortdurende
onmogelijkheid zijn verklaard om het ouderlijk gezag uit te oefenen.
Hetzelfde geldt wanneer een persoon door de rechtbank van eerste aanleg onbekwaam wordt verklaard, en wanneer
de enige of langstlevende ouder van een minderjarige door de rechtbank afwezig wordt verklaard.
De vrederechter benoemt een voogd en een toeziende voogd (in uitzonderlijke omstandigheden een over de
persoon en een over de goederen van de minderjarige), en bepaalt de regels waaraan dezen zich, naast de
wettelijke verplichtingen, dienen te houden.
Wanneer een persoon door de rechtbank van eerste aanleg in staat van verlengde minderjarigheid wordt verklaart,
kan zij het ouderlijk gezag vervangen door de voogdij en een voogd en toeziende voogd benoemen. De verdere
voogdijregeling wordt aan de vrederechter overgelaten.
Ouders kunnen een voogd aanwijzen bij testament of in een verklaring afgelegd voor de vrederechter of een notaris.
Indien de aangewezen persoon later de aanwijzing aanvaardt, wordt deze door de vrederechter gehomologeerd tenzij
er ernstige redenen zijn om dit niet te doen.
Alvorens een voogd te benoemen of de aanwijzing van de voogd te homologeren, moet de vrederechter de minderjarige
vanaf de leeftijd van 12 jaar horen, alsook de grootouders, de meerderjarige broers en zusters, en de broers en
zusters van de ouders.
Niemand is verplicht een voogdij of toeziende voogdij op zich te nemen, sommige personen mogen geen voogd zijn
en kunnen uit de voogdij ontzet worden.
De voogd draagt zorg voor de persoon van de minderjarige die hij opvoedt overeenkomstig de beginselen waarvoor
de ouders eventueel hebben gekozen. Hij vertegenwoordigt de minderjarige in alle burgerlijke handelingen,
beheert zijn goederen als een goede huisvader, besteedt diens inkomsten aan onderhoud en verzorging, en vordert
de toepassing van de sociale wetgeving.
De toeziende voogd houdt toezicht op de voogd en verwittigt de vrederechter wanneer de voogd tekortschiet.
Hij vertegenwoordigt de minderjarige wanneer diens belangen tegengesteld zijn aan die van de voogd. Wanneer de
voogdij openvalt moet hij onmiddellijk een nieuwe voogd doen benoemen.
Voor sommige handelingen moet de voogd aan de vrederechter een voorafgaandelijke machtiging vragen, o.m.:
-om roerende en/of onroerende te vervreemden
-om leningen aan te gaan en hypotheken toe te staan
-om een pachtovereenkomst of handelshuurovereenkomst te sluiten, een handelshuurovereenkomst te hernieuwen en een
huurovereenkomst van meer dan 9 jaar te sluiten
-om een nalatenschap of legaat te verwerpen of te aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden
-om een schenking of legaat onder bijzondere titel te aanvaarden
-om sommige gerechtelijke procedures te beginnen
-om een overeenkomst van onverdeeldheid te sluiten
-om een onroerend goed aan te kopen
-om een dading aan te gaan of een arbitrageovereenkomst te sluiten
-om een handelszaak voort te zetten waarin de minderjarige erfgerechtigd is
-om te beschikken over geblokkeerde spaargelden
De voogd moet jaarlijks aan de vrederechter een
verslag bezorgen over zijn beheer, en er een exemplaar van
overhandigen aan de toeziende voogd en aan de minderjarige indien die minstens 15 jaar oud is. De vorm en inhoud
van dit verslag werden vastgelegd bij Koninklijk Besluit van 15-12-2003.
De voogd moet bovendien jaarlijks aan de vrederechter en aan de toeziende voogd een verslag bezorgen over de
opvoeding en de opvang van de minderjarige, alsook over de maatregelen die hij heeft genomen voor de ontplooiing
van de persoon van de minderjarige.
Binnen de maand na beëindiging van de taken van de voogd, moet hij in aanwezigheid van de vrederechter en
van de toeziende voogd zijn definitieve voogdijrekening overhandigen aan de minderjarige die meerderjarig of
ontvoogd is geworden, aan de nieuwe voogd of aan de titularis van het ouderlijk gezag, en aan de minderjarige
die minstens 15 jaar oud is. De vrederechter maakt een proces-verbaal op waarin vastgesteld wordt dat rekening
en verantwoording is gedaan, dat de rekening is goedgekeurd en dat de voogd kwijting is verleend. Zolang dit niet
gebeurd is, kunnen tussen de minderjarige en zijn vroegere voogd geen geldige overeenkomsten worden gesloten.
Elke procedure inzake voogdij is kosteloos.
Wanneer ouders het gezag over de persoon van het minderjarig kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook
gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.
Wanneer zij het ouderlijk gezag niet gezamenlijk uitoefenen, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent
het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen. De andere behoudt het recht
om toezicht te houden op het beheer.
Artikel 378 B.W. somt de verrichtingen op waarvoor de ouders of ouder een voorafgaandelijke machtiging van de
vrederechter nodig heeft:
-om roerende en/of onroerende te vervreemden
-om leningen aan te gaan en hypotheken toe te staan
-om een pachtovereenkomst of handelshuurovereenkomst te sluiten, een handelshuurovereenkomst te hernieuwen en
een huurovereenkomst van meer dan 9 jaar te sluiten
-om een nalatenschap of legaat te verwerpen of te aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving
kan geschieden
-om een schenking of legaat onder bijzondere titel te aanvaarden
-om een overeenkomst van onverdeeldheid te sluiten
-om een onroerend goed aan te kopen
-om een dading aan te gaan of een arbitrageovereenkomst te sluiten
-om een handelszaak voort te zetten waarin de minderjarige erfgerechtigd is
-om te beschikken over geblokkeerde spaargelden.
De machtiging moet gevraagd worden met een verzoekschrift, dat op de griffie wordt ingeschreven na betaling van een
rolrecht van 27,00 €.
Algemeen verzoekschrift
Verzoekschrift enkel voor aanvaarding/verwerping nalatenschap
Indien het verzoek slechts van 1 ouder uitgaat, moet de andere ouder door de griffier worden opgeroepen om gehoord te worden.
In een landelijk kanton als Heist-op-den-Berg wordt de vrederechter veel geconfronteerd met burenruzies
over afsluitingen en beplantingen op of langsheen de grens tussen twee erven.
Het veldwetboek bepaalt de regels die daarbij gelden:
- art. 29:
Iedere eigenaar mag zijn erf afsluiten overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
- art. 30:
Hij die tot afsluiting van zijn erf een niet gemene sloot wil graven, moet tussen die sloot en het naburig
erf half zoveel afstand laten als de sloot diep is.
Is het naburig erf een stuk bouwland of een hellend terrein, dan moet de afstand even groot zijn als de sloot diep is.
De sloten worden zo aangelegd dat zij een glooiing hebben aan de kant van de nabuur en de afloop van het water niet belemmeren.
Wanneer een levende haag tot afsluiting dient, moet zij, bij gebreke van een hiermee strijdig gebruik, op ten minste
vijftig centimeter van de scheidingslijn staan.
Iedere andere afsluiting mag op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.
- art. 31:
De eigenaar van een niet gemene levende haag of een niet gemene muur is gerechtigd, buiten de tijd dat de vruchten te
velde staan, het erf van zijn nabuur te betreden om de haag te korten, te snoeien, het snoeisel weg te halen, de muur
te herstellen of te onderhouden. Indien dit erf afgesloten is, moet de overgang gevraagd worden aan de nabuur, die de
plaats daarvoor naar keuze kan aanwijzen. In geval van weigering moet het erf betreden worden op de minst beschadigbare
plaats en behoudens vergoeding van veroorzaakte schade.
- art. 32:
Een haag tussen twee erven wordt geacht gemeen te zijn, tenzij slechts een ervan afgesloten is of tenzij het tegendeel
blijkt uit een titel of een voldoende bezit.
- art. 33:
Een gemene afsluiting moet op gemeenschappelijke kosten onderhouden worden; de nabuur kan zich aan die verplichting
onttrekken door van de mandeligheid af te zien.
Dit recht vervalt wanneer het een sloot betreft die niet alleen tot afsluiting dient.
- art. 34:
Bomen die in een gemene haag staan, zijn eveneens gemeen; ook bomen op de scheidingslijn van beide ervan worden geacht
gemeen te zijn, tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit; sterven die bomen af of worden zij
gekapt of gerooid, dan worden zij bij helfte verdeeld; de vruchten worden op gemeenschappelijke kosten ingezameld en
eveneens bij helfte verdeeld, onverschillig of zij afgevallen dan wel geplukt zijn.
Iedere eigenaar heeft het recht de eisen dat de gemene bomen gerooid worden.
De mede-eigenaar van een gemene haag mag die verwijderen tot aan de grens van zijn eigendom, onder verplichting om op
die grens een muur te bouwen.
- art. 35:
Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van
zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van
de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.
Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden zonder dat
een afstand in acht wordt genomen.
Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken.
- art. 36:
De nabuur kan de rooiing eisen van bomen, hagen, heesters en struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaalt.
- art. 37:
Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.
Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe.
Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken.
Het recht om de wortels weg te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet.
Wettelijke onderhoudsplicht: